Shin splints

 
Overbelastingsverschijnselen aan de binnenzijde van het onderbeen komen met name bij hardlopen veel voor. Men gebruikt er verschillende termen voor: shin splints, springschenen, beenvliesontsteking of periostitis. De pijn zit meestal in het onderste 1/3 gedeelte van het onderbeen langs de binnenrand van het scheenbeen.

Alle chronische letsels van het onderbeen hebben een herkenbaar gemeenschappelijk ontstaansmechanisme: de (versterkte) pronatie van de voet. Pronatie is de beweging naar binnen, die optreedt direct na de landing op de buitenzijde van de hak. Een geringe pronatie is normaal. Neiging tot versterkte pronatie moet worden afgeremd. De zwakste schakel in de keten vangt daarbij de klappen op. In dit geval de spieren, die voor het afremmen van de pronatie nodig zijn.
Er is bij scheenbeenklachten in feite sprake van chronische (over)belasting van een aantal spieren, waardoor in de aanhechting op het onderbeen haarscheurtjes optreden. Een pijnlijke zwelling met plaatselijke ontstekingsverschijnselen zijn het gevolg, waarbij rust in de acute fase een goede remedie is. Het nadeel van (langdurige) rust is, dat de kracht van de betrokken spieren afneemt. Voordat men de loopbelasting weer tot het oude niveau opvoert, moet de spierkracht op een alternatieve manier worden onderhouden of hersteld. Dat wordt nog wel eens vergeten, zodat de klachten prompt recidiveren.

Oorzaken van scheenbeenklachten

Te veel, te vaak en te snel hardlopen of springen met name aan het begin van het seizoen of na een blessure.
Extra baantraining, heuveltraining of sprongkrachttraining.
Lopen op harde ondergrond met loopschoenen, die onvoldoende schokdemping of steun geven (baantraining op spikes en wedstrijdschoenen).
Onvoldoende warming-up en te weinig aandacht voor rekkingsoefeningen van de kuitspieren.
Het ontbreken van een cooling-down en geen aandacht voor spierversterking van kuit- en voetspieren.
Doorlopen met beginnende lichte klachten, rust nemen en dan weer meteen volledig doortrainen.

Het vaststellen van de ernst


De klachten beginnen als spontane pijn aan de binnenzijde van het scheenbeen na (langdurige) trainingsbelasting, welke spontaan verdwijnt na enige uren rust (stadium 1). In een volgend stadium (2) kan de pijn tijdens de warming-up nog verminderen om op het einde van de training heftiger terug te komen. Vervolgens blijft de pijn tijdens en na trainingsbelasting bestaan en verdwijnt slecht na langdurige rust (stadium 3). In het vierde stadium is ook het prestatievermogen beperkt. Uiteindelijk verdwijnt de pijn in rust niet meer en moet de training worden gestaakt (stadium 5).

De eerste hulp bij sportongevallen

In de acute fase bestaat de behandeling uit het gebruik van ontstekingsremmers en ijspakkingen.

Behandelingsadvies

Rekkingsoefeningen voor de kuitspieren met gestrekte knie, maar met name ook met gebogen knie en met de voet in eversie (de buitenrand van de voet op een wig plaatsen).
Spierversterkende oefeningen voor kuit- en voetspieren, geleidelijk op te voeren tot kuitenwip (met de voorvoet staand op een traptrede op en neer bewegen) en calf raises (tenen op een plank zetten en op de tenen gaan staan met een halter in de nek en weer rustig terug laten zakken).
Coördinatieoefeningen op oefentol en oefenplank.
In de chronische fase kan het zinvol zijn dwarse fricties toe te passen op de pijnpunten, al dan niet met gebruik van curapuls of diadynamische stroom (fysiotherapie).
Toepassing van een "ontlastende" tapebandage en injectie van corticosteroiden is minder zinvol, aangezien daarmee de oorzaak niet wordt weggenomen, terwijl de (over)belasting doorgang vindt.

Trainingsadvies

Bij het hervatten van de training is een soepele mediale voetsteun nodig. Het kan zinvol zijn een (schokdempend) hielstuk te gebruiken, evenals een middenvoetsteun ter correctie van klauwtenen.
In een aantal gevallen is het nodig loopschoenen aan te schaffen, die er speciaal op zijn gemaakt om de pronatie af te remmen. Het is in ieder geval zinvol met de oude schoenen een speciaalzaak te bezoeken.

Genezing en volledig herstel

In plaats van looptraining zullen aanvankelijk zwemmen en fietsen een goed alternatief zijn. Meer specifiek voor de onderbenen kan worden getraind met watertraining (aquajoggen) en steptraining. In de opbouw naar een regelmatige en volledige loopbelasting is nog plaats voor loopscholing.
Aanvankelijk mag nog een geringe ochtendstijfheid als reactie optreden. Uiteindelijk moet weer volledig pijnvrij kunnen worden getraind.
Oefeningen vormen de basis voor herstel.
Regelmatige sportmassage kan zinvol zijn.
Vaktechnische informatie voor (para)medici

Het is zinvol 3 hoofdtypes van chronische klachten van het scheenbeen te onderscheiden, afhankelijk van welke structuur primair betrokken is:

Per definitie wordt onder de term shin splint verstaan de spontaan pijnlijke postero-mediale rand van de tibia in het onderste tweederde gedeelte op basis van een tenoperiostose van de aanhechting van de m. flexor digitorum longus en de m. tibialis posterior (Type IB en type II). Waarschijnlijk speelt in het distale eenderde deel de mediale aanhechting van de m. soleus een belangrijke rol. Er bestaat echter een geleidelijke overgang van de tenoperiostose naar het logesyndroom (type II en III).

Deze afwijkingen worden vaak gezien bij hardlopers en springers, vooral als er een lichte valgusvoet bestaat, die neigt tot (versterkte) pronatie. De herhaalde excentrische piekbelasting stelt dan te hoge eisen aan de m. tibialis posterior en het mediale gedeelte van de m. soleus, die bij de landing het mediale lengtegewelf in stand trachten te houden. Vervolgens wordt door die activiteit de voet in supinatie gehouden, waardoor bij de afzet de m. flexor digitorum wordt overbelast. Het lopen op een harde ondergrond kan mede een factor zijn, evenals het trainen op schoenen, die weinig steun geven, zoals wedstrijdschoenen.
Peritendinitis van de m. tibialis posterior (en de m. flexor hallucis longus) kan bij balletdansers het gevolg zijn van geforceerde exorotatie in de voet en ‘rolling’ met overbelasting van het mediale voetgewelf.

Diagnostische hulpmiddelen

Op een normale röntgenfoto worden meestal geen afwijkingen geconstateerd, hoewel enige periostreactie op den duur zichtbaar kan zijn. Als er een botscan wordt gemaakt, blijkt er activiteit te bestaan over de mediale tibiarand. Het verschil met een stress-fractuur is, dat bij shin splints de activiteit over een groter gebied is verspreid.

De juiste strategie

Om de juiste aanpak te kunnen kiezen is kennis van de functie van de diverse spiergroepen in het onderbeen onontbeerlijk.
De diverse spiergroepen in het onderbeen liggen in aparte loges en worden door een vrij stugge en strakke fascie omgeven. De m. gastrocnemius, de m. soleus (beide gelegen in de oppervlakkige achterste loge) neigen tot verkorting en hypertonie, hetgeen van invloed is op de functie van de daaronder gelegen spieren.
De m. flexor digitorum longus, de m. tibialis posterior en de m. flexor hallucis longus (gelegen in de diepe achterste loge) neigen tot krachtverlies en worden bij de afwikkeling van de voet relatief zwaar belast.
Dat geldt ook voor de m. tibialis anterior, de m. extensor hallucis longus en de m. extensor digitorum longus (gelegen in de voorste loge), die neigen tot verkorting en hypertonie.
Tenslotte worden nog de peroneusspieren apart onderscheiden (gelegen in de laterale loge), die neigen tot krachtverlies.

Valkuilen


Vermindering van klachten wordt vaak bereikt door vermindering van de belasting. Langdurige rust leidt echter ook tot vermindering van spierkracht. Hervatting van de training na een rustperiode zonder adequate krachttraining gaat zodoende vrijwel altijd met recidiverende klachten gepaard.
In een aantal gevallen zijn de klachten meer in de voorste of in de laterale loge gelokaliseerd. De klachten in de voorste loge berusten meestal op een voorste logesyndroom, waarvoor een fasciotomie noodzakelijk kan zijn. Het komt nogal eens voor, dat pas na adequate behandeling van een voorste loge de klachten in de achterste loge op de voorgrond treden. Als de conservatieve aanpak faalt, kan ook daarvoor een fasciotomie nodig zijn.

copyright 2001 © ed hendriks